Toen de blinde Bartimeüs bij Jezus gebracht werd, vroeg Hij hem: ‘wat wil je dat ik je doen zal?’. Dat is best een vreemde vraag om aan een blinde te stellen. ‘Dat ik ziende worde!’, antwoordde de bedelaar.

Bartimeüs besefte dat hij blind was, in tegenstelling tot de gemeente van Laodicea die ‘ziende blind’ was.

Van de priester Eli staat geschreven dat zijn ogen zwak werden. Hij ging steeds slechter zien. Maar geestelijk was hij al veel langer blind. Hij zag de dingen, de mensen, niet zoals God ze zag.

Hij beschuldigde Hanna van dronkenschap toen zij haar hart uitstortte voor God.

Hij zag de zonden van zijn zonen door de vingers (zij pleegden hoererij in de tempel, maar Eli greep niet in. Hij kwam niet verder dan een zwak ‘foei toch, jongens’).

Hij zag de ernst van de waarschuwing van de passerende profeet niet in – en herkende ook niet de genade die God hem nog aanbood in die boodschap.

En toen God hem voorbijging en tot de jonge Samuël sprak, zag hij nog steeds niet in dat God hem met de aankondiging van onheil een laatste kans om zich te bekeren schonk. Hij kwam niet verder dan een ogenschijnlijk vrome, maar ten diepste fatalistische constatering: ‘Hij is de Here, laat Hij doen wat goed is in zijn ogen’.

Blinden zullen zien…

Het gebed van Bartimeüs moet ons aller gebed zijn: dat we ziende worden. Dat we zien wie wij werkelijk zijn – en dat we God zien zoals Hij werkelijk is. Pas als we die twee dingen helder zien, zijn we niet geestelijk blind.

En Hij nodigt, zoals Hij de gemeente in Laodicea nodigde: ‘Kom, koop ogenzalf van Mij.’

Amos, boer van beroep

© 2017 KwaSizabantu Nederland