|
Getuigenis
Heinrich
Wie Heinrich
nog uit de tijd van zijn eerste verblijf op de zendingspost Kwasizabantu,
of daarvoor in Duitsland kent, zal hem nu alleen nog aan zijn
grote Noord-Duitse gestalte herkennen. Door het ingrijpen van
Jezus in zijn leven mocht hij een totale innerlijke en uiterlijke
verandering beleven. Laten we hem zelf aan het woord hoe dat gekomen
is:
"Mijn moeder trouwde als christin met een ongelovige man.
Dat huwelijk werd voor haar tot een hel op aarde. Toen ik vier
jaar oud was liep mijn moeder van huis weg. Mijn vader liet haar
daarna niet meer in huis. Wij, zes kinderen, bleven alleen met
vader. Alleen bij gelegenheid zagen wij onze moeder, als zij ons
heimelijk in de speeltuin of op school bezocht. Zij stuurde ons
met de kerstdagen pakjes, die mijn vader echter ongeopend terugstuurde.
Na drie jaar werd het huwelijk ontbonden.Ofschoon mijn vader zeer
streng voor ons was en in 't bijzonder mij vaak sloeg, kozen we
als kinderen voor het gerecht toch voor de vader. Misschien kwam
het door het feit dat hij enkele dagen vóór de rechtszitting
uitgesproken vriendelijk tegen ons was en wij zelfs een ijsje
kregen. Mijn moeder werd van verdriet steeds zieker en stierf
uiteindelijk toen ik veertien jaar oud was.
Zo had ik een zeer ongelukkige jeugd. In die tijd huilde ik veel
en dacht ook aan zelfmoord. Later probeerde ik mij voor mijn zondige
leven te verontschuldigen vanwege mijn ongelukkige jeugd. Door
verschillende jeugdkampen kwam ik in de volgende jaren met het
christelijk geloof in aanraking. Gedeeltelijk interesseerde het
mij, maar de meisjes interesseerden mij meer. Om een beroep te
leren ging ik uit huis en woonde twee jaar in een CVJM-huis voor
leerlingen. Daar begon ik met hasjiesj te roken en te stelen.
Desondanks werd ik zelf een medewerker bij de CVJM. Dat verhinderde
ons echter niet met elkaar te drinken en hasjiesj te roken. Geen
wonder dat het met mijn christen-zijn niet veel was, ofschoon
ik ervan overtuigd was dat je als christen wilde leven, je leven
moest veranderen. Tot mijn halfslachtige christen-zijn behoorden
ook nieuwjaarsconferenties in Hermannsburg, avondmaalsvieringen
en Bijbelstudies. Innerlijk voelde ik me hierbij niet op mijn
gemak.
Toen ik 18 jaar was ging ik zelfstandig wonen. Intussen was mijn
haar al zo lang dat het tot over mijn schouders hing. 's Avonds
zwierf ik in disco's en kroegen, steeds op zoek naar meisjes.
Ik hield op met hasjiesj te roken vanwege een sterke storing in
mijn bloedsomloop, maar des te meer ging ik stelen. Alles wat
ik nodig had, te beginnen bij levensmiddelen tot alcohol en grammofoonplaten
kwamen in mijn bezit zonder dat ik daarvoor betaalde. Dat werd
mijn dagelijks werk.
Het
kwam nu zover dat ik twee en een half jaar probeerde om volkomen
zonder God te leven. Nu begon de ergste tijd van mijn leven. Eigenzinnig,
hard en brutaal, dat waren mijn karaktereigenschappen. Ik voelde
mij alleen onder vrouwen prettig. Meer en meer ging ik met lesbische
vrouwen om. Ik begon ook mijn dwaze kleding zelf te naaien, omdat
ik deze niet naar mijn smaak kon kopen. Ik zag er ongeveer zo
uit: groene laarzen met rode geverfde vlammen, rode nauwe leren
broek, een groen jeansjack met zwarte en rode gekleurde opdrukken,
lange of grote ronde gekleurde oorringen, en lang haar. Als ik
's avonds of 's nachts naar de kroegen, de bars of de disco's
ging, was ik ook nog geschminkt als een vrouw, had gelakte nagels
en droeg een parelketting om de hals. Vaak trok ik zelfs vrouwenkleren
aan en liet mij door een vriendin perfect schminken. Oorringen
hoorden voortaan tot mijn dagelijkse uitrusting en vaak zat ik
met gelakte nagels op school. Wat de leraren daarvan zeiden interesseerde
mij totaal niet.
Vaak ging ik naar Berlijn, waar ik ook van bar tot bar en van
kroeg tot kroeg trok. Ofschoon ik niet homoseksueel was, kwam
ik toch door mijn lesbische vriendinnen in gelegenheden waar uitsluitend
homoseksuelen waren. Vaak trok ik er alleen op uit om te zuipen
en te hoeren. Meestal kwam ik pas tegen de morgen thuis. In die
tijd wilde ik graag musicus worden. En zo oefende ik zeer gedisciplineerd
elke dag vier uur lang op mijn instrument tot ik uiteindelijk
in een band optrad. Half dronken stond ik op het podium en voelde
me daarna ongelukkig en depressief. Toen trok het circus mij aan
en ik wilde het als jongleur proberen. Urenlang oefende ik mij
daarin. Spoedig daarop sloot ik mij bij een clowntheater aan,
waar ik echter na korte tijd weer vandaan ging. Het bevredigde
mij net zo min. Daarbij voelde ik mij steeds ongelukkiger en wist
niet meer hoe of wat. "Misschien blijf je net zolang stelen
tot je een keer gesnapt wordt", dacht ik bij mezelf. Inderdaad
betrapte men mij met vijf grammofoonplaten in mijn tas. Maar ik
kwam er weer met een kleine boete vanaf.
Van lieverlee hield ik op met stelen, ofschoon het al tot een
dwang was geworden. Door mijn zondige leven werd ik ernstig ziek.
De arts, die tot een baptistengemeente behoorde, waarschuwde mij:
"U mag drie maanden lang geen alcohol gebruiken en als u
zo verder gaat, krijgt u nog aids." Een panische angst besprong
mij en geleidelijk aan hield ik op mij met meisjes bezig te houden.
Nu weet ik dat de Heere al in die tijd in mijn leven aan het werk
was.
Op 23-jarige leeftijd sloot ik mijn militaire dienst af. Ik was
mij ervan bewust, dat ik niet meer op dezelfde wijze verder kon
leven en dat er iets moest gebeuren. Die ommekeer kwam door een
evangelisatie waar ik elke avond heen ging. Ik begon de Bijbel
te lezen. Spoedig daarop kreeg ik het boek cadeau "Jesus,
unser Schiksal" van Wilhem Busch en begon er ijverig in te
lezen. Twee weken lang kon ik niet meer goed slapen tot ik op
een dag in mijn keuken luid riep: "Heere Jezus, neemt U mijn
leven, ik wil het aan U geven!" Daarbij kwam een grote vreugde
over mij. Ik zei tegen mijzelf dat God mij ook tot zich kon trekken,
zonder andere christenen te gebruiken, in wie ik zo vaak teleurgesteld
was. De volgende drie maanden bleef ik thuis en las in de Bijbel.
Toen sloot ik mij bij de jeugdbond van de E.C. aan, waar het mij
goed beviel. Een jeugdconferentie met de "Fakkeldragers"
was de volgende geestelijke standplaats. Ik wist dat ik tot een
duidelijke beslissing moest komen en vroeg de predikant om raad
wat ik moest doen om een echte christen te zijn. De predikant
sprak een gebed uit dat ik na moest zeggen. Daarna klopte hij
mij op de schouder met de woorden: "Zo broeder, nu hoor je
ook bij ons." Er volgde een slechte nacht. Het viel mij op
dat er nog steeds bepaalde zonden waren die mij plaagden. Verwonderd
dacht ik: "Maar je bent nu toch een christen, of ontbreekt
er nog iets?" Misschien moet ik de gestolen voorwerpen ook
wel terug brengen? Op een nacht werd ik onrustig wakker en ik
wist instinctief dat er iets met de gestolen voorwerpen moest
gebeuren. Ik zocht dan al het gestolene bij elkaar, stapelde alles
voor mijn bed op en ging weer slapen met de gedachte: "morgenvroeg
kun je in ieder geval niet aan deze berg voorbij gaan!" Mij
hielp ook het bekende boek "Rocky" bezig, dat mij destijds
tot tranen toe geroerd had. Daarin stond, dat Rocky zijn zonden
beleed en de gestolen dingen terugbracht. "Wanneer hij dat
gedaan heeft, dan moet jij dat ook doen", zei ik tegen mijzelf.
En zo begon ik naar de winkels te gaan, mijn verontschuldigingen
aan te bieden en het gestolene terug te brengen of te betalen.
Nu was er een begin gemaakt. Mijn grootmoeder leende mij een boek
over de opwekking in Kwasizabantu, wat in mij een verlangen wekte
om daarheen te gaan. De Heere gaf dan spoedig de gelegenheid dat
ik, beladen met mijn dagboeken, foto's en brieven voor zeven weken
naar Kwasizabantu kon gaan. Daar maakte ik een eind aan mijn oude
leven en begon het voor God in orde te brengen. Ik mocht een volkomen
bevrijding van mijn zonden beleven, waarvan ik had geloofd dat
ik daar nooit van vrij zou kunnen komen. Uiterlijk en innerlijk
veranderd, keerde ik terug. Bij de christenen in de E.C.-jeugdbond
vond ik geen begrip. Voor hen gold ik als een extreme christen.
Spoedig hoorde ik de roep van de Heere om een jaar naar Kwasizabantu
te gaan, waaraan ik ook gehoor gaf. Mijn verblijf daar bleek eerst
zeer moeilijk te zijn. Zeven jaar lang had ik een eigen woning.
Nu moest ik de meeste tijd in een kamer met vijftien jonge mannen
verblijven. Dat was voor mij een moeilijke les. Nog een bijzondere
les voor mij was dat ik mee mocht helpen aan de opbouw van de
grote samenkomsthal, wat zwaar werk was. Maar God gaf mij de kracht
om vol te houden en dat kwam mij later ten goede.
Na mijn terugkeer uit Zuid-Afrika solliciteerde ik bij een firma
als bedrijfsmonteur. Mijn opleidingstijd was intussen al meer
dan zeven jaar geleden. Toen ik echter bij het sollicitatiegesprek
foto's van de hal en speciaal ook van mijn werk als monteur liet
zien, gaf de chef mij enthousiast een arbeidscontract voor onbepaalde
tijd.
Voor al deze leiding in mijn leven ben ik de Heere zeer dankbaar
en het is de wens van mijn hart, dat ik de tijd die nog voor mij
ligt mag leven tot eer van God."
Zover het bericht van Heinrich. Er moet nog aan toegevoegd worden
dat Heinrich intussen gelukkig getrouwd is met een gelovig meisje.
|