In 1955 begon Erlo Stegen met een onuitputtelijke ijver onder
de Zoeloes te werken. Door een vurige prediking trok Erlo grote
scharen, maar de mensen waren meer nieuwsgierig dan begerig
naar heil. Het getal van de bekeerlingen bleef klein en de weerstand
groot. Hoe meer hij preekte, hoe minder de mensen er door geraakt
werden. Al rustte er zegen op zijn bediening, toch voelde hij
dat hem iets ontbrak. Hij riep tot God, maar de doorbraak in
Zoeloeland bleef uit. Hij zag een tegenstelling als hij zijn
werk vergeleek met dat van Johannes de Doper. Hij zocht dichtbevolkte
streken op en de mensen kwamen steeds minder naar de diensten.
Johannes ging naar de woestijn en toch stroomden de mensen erheen!
Hij besefte dat het zo niet langer voort kon gaan. Juist dit
besef van machteloosheid hadden het eerste ontluiken van een
opwekking tot gevolg. Zolang we met de beste bedoeling werken
en onze plicht tot het uiterste uitvoeren, komt de kracht van
de verhoogde Heer niet in ons tot openbaring. Pas als we het
nulpunt bereikt hebben en zelf aan het einde zijn, pas als alles
van onszelf verpletterd en stuk is, kan Hij, de Here, beginnen.
De Here heeft hem niet aan zijn nood en twijfel overgelaten.
Door de onvruchtbaarheid, mislukkingen en teleurstellingen van
vele jaren vormde de Here hem om tot een werktuig in Zijn Hand.
Hij bluste het vuur van zijn geestelijke ijver, zodat Hij Zijn
hemelse vuur kon aansteken.
In 1966 kwam Erlo met een klein groepje gelovige Zoeloes ze
bij elkaar in een klein zinken gebouwtje, een koestal. Zij hadden
gebeden of God onder de heidenen wilde werken, maar toen werd
hen duidelijk dat God niet bij de heidenen wilde beginnen, maar
bij hen. Zij staken hun hand in eigen boezem en beseften hoe
zondig ze waren. Naast deze koestal was een tennisbaan, waar
de burgemeester en andere bekende blanken van het dorp tennisten.
Erlo wilde het raam dicht doen, zodat de tennisspelers niet
konden zien dat hij samen met de zwarte mensen ging bidden.
En terwijl hij bezig was om het raam te sluiten, was het alsof
een stem tegen hem zei: "Doe maar dicht. Dan blijf Ik ook
buiten. Zo kom Ik niet binnen. Jij schaamt je voor Mij."
- "Was dit waar? Ik schaamde mij voor Hem en plotseling
maakte het mij niets meer uit wie mij hoorde huilen .... en
ik huilde." Hij kwam tot de overtuiging dat hij zelf het
grootste struikelblok was op de weg naar opwekking. Zijn zonden
stonden de zegen van God in de weg.
"Na ongeveer anderhalve week, daalde God neer." De
opwekking was begonnen. Onverwachts verscheen een tovenares.
Op Erlo Stegens verbaasde vraag wat zij zocht, antwoordde zij:
"Ik zoek Jezus. Kan Hij mij verlossen? Ik ben gebonden
met de kettingen van de hel. Kan Hij deze kettingen verbreken?"
Erlo Stegen kon zijn ogen en oren niet geloven. Twaalf jaar
lang probeerde hij, dikwijls wekenlang, tevergeefs om een tovenares
tot Christus te leiden. En hier kwam plotseling iemand uit de
lucht vallen die zei dat ze verlost wilde worden van haar satansboeien.
"Als Jezus mij nu niet verlost, sterf ik en ga naar de
hel." Zij beleed haar zonden en gaf gewillig te kennen
dat zij haar leven voor Christus openstelde. Als antwoord op
maandenlang volhardend gebed, schriftonderzoek, zelfonderzoek
en zondebelijdenis was plotseling het ogenblik gekomen dat de
Heilige Geest neerdaalde. Het was alsof het gebed van Jesaja
in vervulling ging: "Och dat Gij de hemel scheurdet, dat
Gij nederdaaldet, dat voor Uw aangezicht de bergen wankelden,
zoals vuur rijshout in vlam zet, zoals vuur water doet overkoken
- om Uw tegenstanders Uw Naam te doen kennen, zodat de volken
voor Uw aangezicht sidderen" (Jes.64:1-2).
Een nieuw tijdperk brak aan voor Erlo Stegen en zijn groep.
`s-Morgens als hij opstond, stonden er honderd tot tweehonderd
mensen bij hem voor de deur. Ze troffen de mensen aan als rijpe
vruchten aan een boom, klaar om geplukt te worden voor Gods
Koninkrijk. In grote aantallen kwamen ze, zelfs van heinde en
verre, om de diensten bij te wonen. Sedert deze tijd zijn vele
mensen verlost door de Here Jezus Christus.
De Zoeloe-opwekking begon niet toen de eerste heidenen hunkerend
naar verlossing kwamen opdagen, maar op het moment, dat de Heilige
Geest gelovigen van hun zonde overtuigde, zodat zij hun schuld
beleden en hun leven met God en elkaar in orde maakten. Wanneer
er niet met de persoonlijke zonden wordt afgerekend, kan er
geen blijvende vrucht zijn. Zonde verhindert een opwekking,
of brengt het zelfs ten einde (Jes. 59:1-2).
Voor opwekking moet een prijs worden betaald. Wanneer wij niet
de volle prijs willen betalen, zal bidden niet helpen. Degene
die bidt moet ook gewillig zijn om zich te verootmoedigen, zijn
zonden te belijden, te laten varen en in onvoorwaardelijke gehoorzaamheid
aan de Here te leven. Alleen als gelovigen gehoorzaam zijn,
kan er een opwekking komen. Als er een opwekking komt, kan een
muur van zonde of lauwheid niet standhouden voor Zijn hitte
en kracht.
Steeds meer deuren openen zich voor het team van Erlo Stegen.
Vrijwel in heel de wereld worden ze gevraagd voor het houden
van spreekbeurten. Erlo Stegen ziet het niet alleen als zijn
opdracht het evangelie aan de mensen in Zuid-Afrika te brengen.
Hij gelooft dat God ook een opwekking in Europa wil schenken,
maar dat Hij begint bij de christenen. Dit is trouwens het kenmerk
van elke opwekking. God kan alleen instrumenten gebruiken die
gereinigd en geheiligd zijn. "Maak je leven met God in
orde!" is zijn boodschap!